HISTORIE

Wanneer is het departement van Justitie en Politie Ingesteld?

Het antwoord is kort en krachtig: ingevolge het Gouvernementsbesluit van 3 augustus 1951, no. 90, op 7 augustus 1951, hetgeen inhoudt dat het Departement van Justitie en Politie op 7 augustus 2011 zestig (60) jaar bestaat.     

 

Een historische aanloop tot de instelling

Na de verovering van Suriname door Willoughby in 1650 noemde hij dit land: de kolonie van Willoughby. Als eerste Gouverneur werd aangesteld Antony Rowse (1650-1654).

Tot 1816 hebben hier afwisselend Nederlandse of Engelse Gouverneurs de scepter gezwaaid, omdat deze landen dikwijls met elkaar in oorlog waren, waarbij hun Overzeese koloniën ook betrokken raakten en soms veroverd werden.  Op 27 februari 1816 werd Suriname een Nederlandse kolonie door de aanstelling van Willem Benjamin van Panhuys als Gouverneur. De laatste Gouverneur tevens de eerste President van Suriname is Dr. Joh. H. E. Ferrier geweest.

 

De Regeringsreglementen waren het richtsnoer voor de Gouverneurs om de kolonie te besturen. Zowel vóór als na de afschaffing van de slavernij hebben we - behalve de met de bestuurlijke taak belaste Gouverneur- ook de rechterlijke macht en de volksvertegenwoordiging in de kolonie gekend. De Koloniale Staten, grotendeels bestaande uit planters, hadden weinig inbreng. De rechtspraak hield rekening met plantersbelangen. Ook de Gouverneur gaf voorkeur aan zaken van de planters, omdat de opbrengsten der plantages het moederland -Nederland- ten goede kwamen. Ook na de invoering van de codificatie (wetboeken) op 1 mei 1869 bleef te situatie ongewijzigd. De Gouverneur bleef een dominante rol vervullen op grond van bevoegdheden die hij van de Koning had. 

 

Na de Regeringsreglementen kwam de Staatsregeling van 1936 (GB 1936 No. 156) tot stand, waarin de taken van de 3 machten (wetgevende-, uitvoerende- en de rechterlijke macht) duidelijker afgebakend werden. Daardoor kwam een eind aan de bepalingen der Regeringsreglementen. De naam Koloniale Staten veranderde in Staten van Suriname.  Deze volksvertegenwoordiging liet -vaak in felle bewoordingen- haar stem horen waaruit bleek dat die oneens was met de visie van de landvoogd. Maar …..er kwam verandering! Na de Tweede Wereld Oorlog (1940-1945) gingen er stemmen op Suriname een zekere mate van bestuurlijke zelfstandigheid te verlenen. In haar bekende rede van 1942 liet koningin Wilhelmina zulks duidelijk blijken.

 

De Gouverneur benoemde toen - zij het tijdelijk-  een College van Bijstand dat een adviserende stem kreeg. Doch dat was in de ogen van de volksvertegenwoordiging ten enenmale onvoldoende. Het gevolg van het een en ander was dat in 1948 de Staatsregeling gewijzigd en aangevuld werd (GB 1948 No.71). Deze wijziging staat bekend als de Landsregeling van Suriname.

 

Het College van Bijstand werd alzo ontbonden en vanaf 25 juni 1948 kwam daarvoor in de plaats het College van Algemeen Bestuur (CAB) bestaande uit 6 leden. Deze werden na overleg met de Staten van Suriname, de Raad van Advies gehoord, benoemd door de Gouverneur. De leden hadden GEEN ministeriële verantwoordelijkheid.  Zoals gesteld:

de Koloniale Staten werden de Staten van Suriname; de Raad van Staten werd Raad van Advies; en omdat op 20 januari 1950 de Interim-regeling in werking trad, werd de term "College van Algemeen Bestuur"  vervangen door Regeringsraad; het Orde Reglement van de Regeringsraad moest door de Staten van Suriname bij wet goedgekeurd worden.

 

Met de volgende takken van dienst werden de leden van CAB - de latere Regeringsraad- belast (zie GB 1948 No. 128):

 

  1. voor het lid A. W. Brakke, het departement voor Economische Zaken;
  2. voor het lid Mr. Dr. J. C. de Miranda, de afdeling Justitie en Politie en het Departement   van Onderwijs en Volksontwikkeling;
  3. voor het lid H. N. Hajary, het departement voor Sociale Zaken en Immigratie en de Dienst der Volksgezondheid;
  4. voor het lid A. J. May, het Algemeen en Gewestelijk Bestuur en het Departement van Openbare Werken en Verkeer;
  5. voor het lid W. G. H. C. J. Smit, de Administratie van Financiën;
  6. voor het lid E. Th. L. Waller, het departement van Landbouw-Economische Zaken en het Landbouw Proefstation.

 

Bij resolutie van 2 oktober 1948 No. 4345 (GB 1948 No.129) werden aan de leden van het CAB - de latere Regeringsraad- bevoegdheden toegekend om in bepaalde zaken zelfstandig te handelen.  Aan het lid voor de Afdeling Justitie en Politie werden daarbij 34 taken toebedeeld waarvan een groot deel nog in tact is gebleven.      

 

Het Landsbesluit van 3 augustus 1951, GB 1951 no. 90

 

Dit Landsbesluit houdt in:

  • instelling van Departementen van Algemeen Bestuur;
  • vaststelling van de taakomschrijving van deze departementen en
  • overdracht van enkele bevoegdheden aan de landsministers.

 

Er werden 10 departementen van Algemeen Bestuur ingesteld. En aan het Departement van Justitie en Politie werden de volgende taken toebedeeld:

 

  • De Wetgeving;
  • Juridische Adviezen ten dienste van het Land;
  • Het Openbaar Ministerie;
  • De personele zaken der Rechterlijke Macht;
  • Het Hulpbureau voor de Industriële Eigendom;
  • De Dienst der Politie;
  • Het Gevangeniswezen;
  • De Toelating, uitzetting en uitlevering;
  • De Brandweer;
  • De Voogdijraden.

 

De zorg voor elk departement werd opgedragen aan een landsminister. Het besluit van een landsminister werd beschikking genoemd. Samen vormden zij de regeringsraad (thans Raad van Ministers genoemd).

Ten einde eenheid in het regeringsbeleid te verzekeren, beraadslaagde de raad over alles wat een gemeenschappelijk overleg tussen de landsministers vorderde. In het bijzonder betrof het de grote lijnen der landspolitiek, de verhouding met de Staten van Suriname, de relaties met het buitenland, de begroting, leningen en benoeming, schorsing en ontslag in door de regeringsraad aan te wijzen ambten en betrekkingen. Naderhand, en wel bij beschikking van 17 september 1951 No. 4677a (GB 1951 No. 108) werden de werkzaamheden van het Departement van Justitie en Politie ondergebracht in 5 Afdelingen met eigen taken, t.w.:

 

Afdeling I (Algemene Zaken);

Afdeling II (Parket);

Afdeling III (Politie);

Afdeling IV (Brandweer) en

Afdeling V (Wetgeving en Juridische Adviezen).

 

De huidige taken van het Departement/Ministerie van Justitie en Politie zijn veel ruimer omschreven, blijkende uit het Staatsbesluit van 10 oktober 1991, bekend als "Besluit taakomschrijving Departementen1991"(SB. 1991 no.58, daarna gewijzigd en aangevuld bij SB 1998 no. 22, SB 2002 no.16, SB 2005 no. 94 en laatstelijk bij SB 2010 no. 124).   

 

Afgezien van de onafhankelijke rechterlijke macht (Staande- en Zittende Magistratuur) en het Korps Politie Suriname, bestaat het huidige Ministerie van Justitie en Politie uit één Directeur van Justitie en Politie en vijf onderdirecteuren, die hun eigen hoofdafdeling beheren, t.w.:

 

  1. Hoofdafdeling Algemeen Beheer
  2. Hoofdafdeling Financieel Beheer;
  3. Hoofdafdeling Rechtsaangelegenheden;
  4. Hoofdafdeling Vreemdelingen Zaken